Kangaroo Island

Op de folder staat in het groot KANGAROO ISLAND, met een foto van een zeeleeuw eronder. Er is maar 1 maatschappij die er naartoe vaart en daar belachelijk veel geld voor vraagt. Er loopt maar 1 verharde weg in een lus langs het eiland, alle zijwegen zijn onverhard en in zeer slechte staat. En wat is er nu eigenlijk meer te zien als op het vasteland, vroegen we ons af.
Toch is het de populairste bestemming van South Australia, en staat in elke reisgids dat je er moet geweest zijn. Sommige Australiërs nemen hun boot mee op de ferry (Huh??? Het is maar 40 minuten varen!) en elke dag zitten de peperdure tours naar de highlights van het eiland vol.

Omdat de overtocht zo duur is had ik 3 volle dagen op dit eiland geboekt. Kunnen we maar beter elk hoekje en elke steen gezien hebben, dacht ik.
Toen we es goed naar de kaart keken werd al snel duidelijk dat dat geen probleem zou zijn. De eerste dag deden we expres zeer kalm aan, en bezochten zelfs een eucalyptusdistilerij. Daar pakten ze het zo aan dat we niet durfden nee te zeggen, dus deden we maar de 'selfguided tour', en betaalden we maar 8 dollar voor rond te zien op hun belachelijk klein erf, waar niks te zien was. Zelfs niet in de hoekjes.

De eucalyptus-trucker
Gelukkig konden we ons in een haventje, de nadruk op tje, een tijd bezighouden met het kijken naar de pelikanen. Het waren echt mooie exemplaren, en zeker niet mensenschuw. Op een strand deden we een wandeling, maar we bleken al snel niet verder te kunnen.

Zwanen kopje onder in de zee, ook zij vonden het maar saai
De stilte van het strand op het eiland
Mijnheer Peli Ketaantje
Dan maar naar het eerste nationale park. Onze auto viel bijna uit elkaar door de slechte staat van de weg, en dan vonden we ook nog het begin van de wandeling niet. Ondertussen begon het lichtjes te regenen. Toen we dachten terug te keren, zagen we verscholen tussen het gras het gezochte bordje staan. Blij stapten we uit en maakten een mooie, maar ook weer korte, wandeling naar een moeras.

Het grootste meer van het eiland droogt langzaam uit
De regen leek maar niet over te gaan en onze volgende stop heette 'Little Sahara'. We maakten ons klaar voor een woestijnwandeling in de regen, maar het klaarde een beetje op. Gelukkig, het is een mooi plekje en in de regen hadden we er niet veel van gezien.

Maarten ingegraven in de duinen
Ondanks onze efforten om zo traag mogelijk te gaan waren we toch al om 4u in de trekpleister van Kangaroo Island: het Flinders Chase NP. Zoals gevreesd moest je per dag (en niet zoals meestal, per 24 u) entree geld betalen. Nu was het aan het gieten, dus zat er niks anders op dan terug te rijden en te hopen op beter weer de volgende dag.

Onder een fel bewolkte hemel bezochten we de Remarkable Rocks en de Admirals Arch. Beiden zeer mooi, en zij maakten ons bezoek op Kangaroo Island uiteindelijk de moeite waard. Rond Admirals Arch zat de grootste verzameling zeeleeuwen die we al gezien hebben. En dat wil wat zeggen, want naast de hond, de mus en de valk hebben we die dieren gedurende onze reis het meest gezien. We zagen zelfs een zeeolifant die achterna gezeten werd door jonge zeehonden. Of het om te spelen was, of omdat hij niet welkom was, hebben we het raden naar.

Een vroege vogel
Remarkable Rocks
Ondertussen werd het wolkendek dichter en dichter, maar Maartens droom om een vogelbekdier te zien was genoeg motivatie om de wandeling naar de platypushole te maken. Dat wilden we de dag ervoor doen, maar toen regende het te hard. Na anderhalf uur wachten aan het hole regende het echter nog harder en liepen we doorweekt en ontgoocheld (de enige levende dieren die we gezien hadden waren vogels en een paar rivierkreeften) naar ons busje terug. Platypussen zijn heel schuw. Misschien hebben we te luid adem gehaald. En ik had eigenlijk ook geen idee waar ik moest naar zoeken. Ik weet dat ze een rare bek hebben, maar voor de rest…

Wat gebeurt daar in de bosjes??
Een warme douche en droge kleren later waren we opnieuw op weg, naar het noordelijkste deel van het eiland. De weg was echter zo lang en slecht, dat we halverwege rechtsom maakten. Door het slechte weer hadden we toch niet veel gezien. Voor de 2de dag op rij konden we uitgebreid aperitieven en lekker eten.

Onze laatste dag, en eindelijk liet de zon zich zien. We hadden echter alle viewpoints en highlights al gedaan (in de regen meestal) en behalve wat wijnhuizen bezoeken wisten we niet goed wat er nog te beleven viel. We vonden toch nog een viewpoint vanwaar we eindelijk goed kon zien hoe het eiland eruit zag, en gingen wijn proeven bij een zeer onvriendelijke wijnboer. De wijn was bovendien niet speciaal. We zijn goed opgevoed, dus ipv ons wijnglas op het hoofd van de onvriendelijke wijnboer te kappen, kochten we een fles en maakten dat we weg waren.

Uitzicht op het westen van het eiland van Prospect Hill
De rest van de dag vulden we met schaken, lezen en blogberichten schrijven. Die avond maakten de blauwe pinguïns onze dag helemaal goed. We kwamen ze reeds op verschillende plaatsen tegen in NZ en Australië, maar deden nu pas een geleide toer. En zoals alle pinguïns zijn ook deze superschattig en grappig. En ze kunnen luid roepen! Ongelooflijk wat er uit zo'n klein beestje komt.

Na een zeer uitgebreide kuisbeurt kregen we onze auto terug wit en namen we de volgende morgen de boot terug. We moesten ons haasten op tijd in Adelaide te zijn voor de camperruil.

De Outback: The Real Thing!

Het Australische binnenland stelde ik me voor als oneindig lange zandwegen door niks anders dan rode woestijn, misschien hier en daar wat droog gras, met in de verte jihaa roepende cowboys die ganser kudden uitgehongerde schapen naar vruchtbaardere grond probeerden te dwingen. Langs de weg liggen dode kangoeroes en cirkelen roofvogels afwachtend tot de kust veilig is om hun karkas op te peuzelen.
Toen we uit Mildura vertrokken om naar het midden in de outback gelegen Mungo National Park te rijden moest ik vaststellen dat mijn fantasie alweer het verkeerde pad had ingeslagen. De weg was stoffig, vol putten en in verschrikkelijke staat, dat wel (de gordel was levensnoodzakelijk om op onze stoel te blijven zitten), maar het landschap was prachtig afwisselend groen, rood, geel en bruin. Er stonden dode bomen als vogelverschrikkers op een heuvelkam, maar we zagen ook levendige bossen en hier en daar een klein meer.

Zicht op de Outback
De rit naar het park was wel mooier dan het park zelf, zo bleek toen we er bij aankomst niemand aantroffen en dus maar op goed geluk naar de trekpleister 'The walls of China' reden. Ik had er een foto van gezien bij volle maan. die recht uit een schilderij van Dali leek te komen. Maar bij avondlicht hadden ze niks van hun magische karakter. Het waren maar kleine hoopjes steen eigenlijk. Bovendien mocht je sinds de overstroming van januari niet zonder gids het gebied in. Ik vroeg er een hoeveel het zou kosten als ik me bij zijn groep aansloot, en hij antwoordde niet al te vriendelijk 25 'bucks'. Enigszins ontgoocheld zetten we ons dan maar op het enige uitkijkpunt, een heel stuk van de eigenlijke wall, tot we het beu waren te wachten op iets spectaculairs dat niet zou komen.

De fameuze 'Walls of China'. Gelukkig is de echte hoger
De volgende dag bedachtten we dat we op deze manier een omweg van 200 km niet konden rechtvaardigen, dus schreven we ons op het nippertje in voor de Aboriginal Bush Tucker's toer. Het park wordt gerund door Aboriginals, die, zoals we de vorige dag hadden ondervonden, niet zo'n groot organisatietalent hebben. Maar hun getover met planten en kruiden interesseert ons wel. Je kan op verschillende plaatsen in Australië zo'n toer doen, maar we waren nu zover naar dit park gereden… Ter verduidelijking, met ver bedoelen we vanaf nu nooit meer in afstand (200 km is helemaal niks), maar wel in tijd.
We hadden 3 gidsen die elkaar zeer vlot (hum) afwisselden. 1 van de 3 kon ik nog redelijk verstaan, de andere 2 waren nogal kort van woorden. Gelukkig kon er een goed zingen, en zijn deuntje 'Mungoman, Mungolady' gaan we nog lang zingen. De derde sprak in volzinnen als: 'Red kangaroo, feet (doet een teken), them black (maakt ander teken), they kno them Aboriginals'. En dan: 'Them peppel thinks emu stupid, but emu knows come back where is nest.' Het was een hilarische toer en we moesten ons vaak inhouden van lachen. Dus al bij al verlieten we Mungo NP met de glimlach! En we leerden ook een beetje bij over lokale planten.

Singing Aboriginal!
Dan was het hobbel de bobbel richting Broken Hill, een mijnersstad sinds (volgens de Australische tijdrekening) historische tijden. Vanaf Mildura veranderde de weg gelukkig in een van de betere geasfalteerde die we hier al gehad hebben. De meeste wegen in de Outback zijn van redelijk goede kwaliteit, en je kan er zalig altijd maar rechtdoor cruisen. De enige keer dat je echt op de baan moet letten is als je een vrachtwagen voorbij moet steken. Dat zijn vaak gevaartes bestaande uit 4 delen (!), en het lijkt een eeuwigheid te duren eer je ze voorbij bent. Langs de kant van de weg zag ik ook een tractor met 16 grote wielen (8 aan de voorkant, 8 aan de achterkant), hoe zot is dat! Die zijn zo breed dat ze de volledige weg innemen denk ik.

Maar rijden door de Outback werkt zeer ontspannend, vooral voor de geest dan. Het lichaam wil na uren rijden wel eens stijf zijn. Je hebt alle tijd van de wereld om te genieten van de prachtige landschappen, en te stoppen waar je maar wil. En wat je dan allemaal niet hoort! Tientallen vogels vechten om gehoord te worden. De beeldschone Australische kraaien, die je altijd in een koppeltje ziet, komen steevast kijken wie daar nu toch langs de kant staat. De eerste keer dat ik er een hoorde dacht ik dat er ergens een kind aan het jammeren was. Ze maken een geluid alsof ze de hele tijd pijn hebben, een hoog 'aiaiai'. Hun veren zijn zo mooi en blinkend zwart en ze hebben heldere blauwe ogen.
Ja, we voelden ons wel een beetje op een kleine safari. Op een bepaald moment reden we een hele tijd door zwermen libellen, onmogelijk te ontwijken. Iedere keer ik er een zag afkomen voor een dodelijke smak tegen de voorruit bukte ik me. Nutteloos natuurlijk en tot groot vermaak van Maarten. Gelukkig hebben we er een kunnen redden die in de ruitenwisser bleef plakken. Ze waren bijna een hand groot. Ook voor vogels moet je opletten. Hoe groter de vogel, hoe slimmer. Als ze opgeschrikt worden vliegen die tenminste van de auto weg. De kleintjes vliegen er eerder recht naartoe. Ook emu's lopen, ondanks hun slechte reputatie van stom beest, op grappige wijze weg. Helaas liggen er nog veel te veel dode dieren langs de weg. Af en toe zie je een paar schapen in een dorre wei. Er zitten er evenveel als in Nieuw Zeeland, alleen veel meer verspreid door de schaarse aanwezigheid van gras. Hier kweken ze geen witte wol, maar bruinrode :-). Amai, begin daar es aan te wassen.

The Gang of Four (Emu's)
Na al dat slechte weer in New South Wales, en ook af en toe in Victoria, doet het zonnetje deugd! 's Morgens is het wel frisjes, maar tegen de middag staan alle bloemen open, liggen de schapen in de schaduw onder een eucalyptusboom, en zitten wij te genieten op een bankje, in de zon. Zo hadden we ons Australië alleszins meer voorgesteld.

Prachtige bloemen vind je overal in de Outback

Het was even wennen aan al dat zonnegeweld
Onze entree in Broken Hill zette meteen de toon. Aan een grasveld stonden een bruid en haar bruidsdame, beiden echt ongelooflijk dik en opgetut, kwaad kijkend te wachten. We reden lachend verder en hadden medelijden met de bruidegom. Het was de eerste keer dat ik Australiërs zag met een hoop kilo's te veel. Ofwel kunnen ze het goed wegsteken, ofwel is een dieet van wijn, lekker eten en genieten van het leven goed voor de lijn :-) Ze zijn alleszins veel meer met het culinaire bezig dan in Nieuw Zeeland, en dat merk je niet alleen aan de kookboeken in de boekenwinkels. Er zijn ook een aantal bekende Australische topchefs - waarvan ik nu wel niet meteen op de naam kan komen…

We kwamen aan het Visitor Center toe vlak na sluitingstijd, maar dat belette de bediende niet om ons supervriendelijk nog naar het toilet te laten gaan, uitleg te geven en brochures te overhandigen. De volgende dag zouden we het iets verderop gelegen dorpje Silverton bezoeken en natuurlijk ook wat rondhangen in Broken Hill zelf.

In Silverton was niet echt veel te zien, maar het was er wel leuk rondwandelen en kijken waar mensen die in zo'n afgelegen gebied wonen zich mee bezighouden. Velen maakten 'kunst' die ze proberen aan toeristen te verkopen. Er zijn ook een aantal musea die we maar geskipt hebben.

Een museum in Silverton

Zoals u kan lezen, John Dynon, local artist of Silverton
In Broken Hill is veel meer te beleven. Het voelt er echt Western, en in de straat rijden bijna niks anders dan Oldtimers rond. Je kan er een mijn bezoeken, maar dat hebben we al in Potosi gedaan. In de plaats gingen we naar de basis van de Flying Doctors. Da's naar het schijnt een serie, waarschijnlijk kende ik de naam van daar. In ieder geval, het ligt naast de luchthaven, dus ik wou er wel heen. En wat een goeie beslissing was dat! We waren allebei enorm onder de indruk van ons bezoek aan de Flying Doctors. Wat zij doen is echt ongelooflijk. Met onze nog maar korte kennismaking met de Outback is het makkelijk te begrijpen dat het onmogelijk is de mensen die hier wonen fatsoenlijke medische hulp te bieden zonder een vliegtuig. En zij bieden die service volledig gratis! Hoeveel mensen hebben ze al niet gered!
Als je het niet gezien hebt is het moeilijk je voor te stellen hoe uitgestrekt de Outback is. De meeste boeren hebben een eigen vliegstrip. Maar ze landen ook gewoon in het veld, op de weg of gelijk waar de piloot een mogelijkheid ziet. Dat is nogal avontuur!
Onze gids vertelde dat hij en zijn vrouw vaak op zaterdagochtend voor dag en dauw vertrokken voor een 8u durende rit naar hun familie. Dan komen ze iets na de middag toe, en blijven tot de volgende middag. Om dan terug 8u naar huis te rijden. Zo'n dingen vinden ze hier gewoon. 8u rijden, das nikske. G'day mate!

Een Broken Hill straatbeeld
2 parkieten zijn ook fan van de Flying Doctors

Omdat we zo'n fan zijn van de fantastische landschappen in het binnenland, besloten we op 't gemak naar de bekendste wijnstreek van het land, de Barossa Valley, te rijden en de Flinders Range over te slaan. Zo kwamen we in het dorpje Petersborough terecht, waar we kennismaakten met de compleet gekke Eldon en zijn vrouw Maria. Zij zijn in de streek beroemd voor hun miniatuurkoetsen die ze minuscuul en perfect op schaal kopiëren van verdwenen of half kapotte antieke koetsen. Wat ze daarvoor niet allemaal van gereedschap en mini ditjes en datjes hebben! De ene grap na de andere uitslaand toonde Elton ons trots zijn hele verzameling en knikte ik bewonderend toen hij demonstreerde hoe je een mini karrenwiel ineen kan steken. En toen was de rondleiding nog niet gedaan. In wat ze bij ons een veranda noemen, stond het nagebouwde oude treinstation van Petersborough. Netjes gemetseld met mini zelf uit oude baksteen van het oude treinstation gekapte baksteentjes, mini verlichting en mini deurtjes. Een groot poppenhuis, maar dan met archeologische waarde.

Maarten en Eldon in de werkplaats

Een stukje uit het museum van Eldon

Het hele stadje is in de ban van alles wat antiek is. Behalve in de supermarkt kan je er zelfs nergens iets nieuw kopen. Van kleren tot auto's had alles er al een eigen geschiedenis opzitten. Op hun treinverleden waren ze het trotst. Op de 4 invalswegen staan 4 miniatuurtreinen tentoongesteld, het infokantoor is in een oude trein en ze hebben er een standbeeld van Bob, de 'railwaydog'.

Zo rijd je Peterborough binnen

Bob, de bekendste hond van Australië
Na Petersborough rijd je al snel de wijnstreek van Zuid Australië binnen. De heuvels zijn goudgeel van de verkleurde wijnranken, slechts hier en daar hingen nog wat blauwe druiventrossen. De nacht ervoor hadden we niet zo goed geslapen, dus besloten we hier even te rusten en pas de volgende dag wijnen te gaan proeven in de Barossa Valley. We profiteerden ook nog even van de goeie infrastructuur in de staat South Australia. Hier vind je properder toiletten, goed uitgeruste bibliotheken en gratis douches. De sfeer is ook anders dan in New South Wales of Victoria. Moeilijk te beschrijven, maar we vinden het alleszins fantastisch. Een mengeling van de sfeer in Zuid Frankrijk en Toscane, met een grote G van Genieten.

De volgende dag kwamen we midden in het jaarlijks feest van Tanunda aan. Een aangename verrassing… Overal hing de geur van Frankfurter Wurste met zauerkraut. We vluchten naar goede gewoonte een boekenwinkel binnen waar een ietwat vreemde eigenares bij elke handeling heel luid riep wat ze ging doen. Behalve de vele Duitse 'specialiteiten' was het een leuke braderie om rond te lopen, en naar de mensen te kijken.

Feest in Tanunda, en daar kunnen geen Oldtimers bij mankeren
Vanuit Tanunda begint een rondrit die je langs de wijngaarden van de Barrossa Valley voert. We vergaapten ons aan zijn omvang, kilometerslange velden vol druiven, en sommige wijnhuizen groter dan de brouwerij van Stella in Leuven. Ondertussen werd het al laat, en we mochten onze overtocht naar Kangaroo Island niet missen. We besloten dus maar 1 wijnhuis echt te bezoeken, en welk is bekender in de streek dan Jacob's Creek? (Penfold's misschien). Ze hebben een chic uitgebouwd bezoekerscentrum, maar we waren toch ontgoocheld als we hoorden dat we de kelder zelf niet konden bezoeken wegens 'te druk'. Gelukkig konden ze ons troosten met gratis degustaties van al hun wijnen, en zelfs een tiental die je alleen hier kan vinden. Een hele lange lijst dus! Ze schonken de glazen zonder problemen goed vol, en als we nog maar naar een fles keken kregen we er al een slok van. Onze favoriet was helaas ook hun duurste: een shiraz cabernet genaamd Johann. Het goede nieuws is dat ze hem exporteren naar België, dus allen naar de winkel! Ideaal om een speciale gelegenheid te vieren, zoals de terugkeer van de dochterlief of zoonlief, of van een paar goede vrienden…

De Barossa Valley

Op onze wenken bediend bij Jacob's Creek
Nu rest ons nog een driedaagse op Kangaroo Island alvorens opnieuw de Outback in te trekken richting Alice Springs.

Victoria op een drafje

We zijn ondertussen in de kleinste staat van Australië, Victoria. We rijden nog steeds op de prinsessnelweg. Die komt af en toe tot vlak bij de kust om dan weer het binnenland in te duiken. We willen graag naar Raymond Island want daar kan je immers koala's zien. Ik ga wat info inwinnen bij een toeristisch kantoor in de buurt. Twee vriendelijk gepensioneerde dames die in het weekend als vrijwilliger het kantoor openhouden geven me enkele tips: "Als je te voet de ferry neemt is het gratis en er is op een uurtje rijden een gratis camping. Was het nu in Rosedale of net erbuiten over de rivier?" De ferry vaart net voor onze neus uit, maar omdat het zondag is gaat hij elk kwartier en het is maar 5 minuten naar de overkant. Het eiland ligt in een groot meer dat gevoed wordt door de zee en een rivier. Tijdens de korte overtocht zien we een familie zwarte zwanen door het water glijden. We zingen samen het bekende liedje.
Op het eiland zelf is het een korte wandeling door de straten. We zien al meteen een zeer vreemde koala achter een bord zitten :-).
Een vreemde koala
De eerste echte koala die we zien zit hoog in een boom te dutten, maar hij ziet er echt schattig uit. Koala's zijn niet zo'n actieve beesten. Als ze vier uur per dag bewegen is het al veel. Tijdens de wandeling zien we er zeker tien in verschillende bomen en er zijn er maar twee die zich verroerden. Een strekte zich echt uit en de andere keek ons eerst even aan om dan weer rustig verder te dutten. Op een gegeven moment worden we opgeschrikt door een luid knorrend gebrom. In een boom langs het pad hangt er een koala ongegeneerd te snurken.

En zo ziet een echte eruit
Het eiland krioelt ook van de vogels. Op de kusten zie je meeuwen, aalscholvers, zwaluwen en pelikanen. In het binnenland kaketoes, papegaaien, parkieten en nog een icoon van de Australische dierenwereld de Kookaburra. Die lijkt een beetje op een ijsvogel maar lacht als een specht.

Een Kookaburra
Om de dag af te sluiten en te vieren dat we 2,5 jaar samen zijn besluiten we fish en chips te gaan halen. De Australische versie kan echter belange na niet tippen aan de Nieuwzeelandse. Gelukkig hebben we lekkere (Shiraz) schuimwijn.

De volgende dag gaan we naar het populairste Nationaal Park van de staat de Wilson Promontory of kortweg Prom. Dit is het zuidelijkste schiereiland van het Australische vasteland. Drie weken geleden is het getroffen door zware overstromingen. In het centrum van het park viel op 24 u ongeveer 300 mm regen (dat is bijna de helft van wat we in België op een gans jaar krijgen). Dat is voor hier hoogst uitzonderlijk. Vierhonderd mensen moesten geëvacueerd worden en als bij wonder vielen er geen slachtoffers. De ganse infrastructuur in het centrum van het park is volledig verwoest. Het water is trouwens nog steeds niet volledig weggetrokken op sommige plekken. We mogen dus enkel het noordelijk deel bezoeken. De noordelijke baai met het meest zuidelijke mangrovebos(je) van de wereld is wondermooi. Het strand ligt bezaaid met dode kwallen. Het is eb dus kunnen we naar een nabijgelegen eilandje wandelen. De granietrotsen zijn in prachtig afgeronde figuren uitgesleten. De mangroveboompjes komen met moeite boven ons middel uit.

Het Wilson Promontory NP
Vervolgens klauteren we langzaam landinwaarts naar een uitkijkpunt. De zichten zijn werkelijk fenomenaal. Zo'n lappendeken van de kustbossen, zoutmoerassen en heuveltopjes zouden we thuis ook graag vanuit onze slaapkamer zien. 

Prachtig zicht vanop de top
Wanneer we beneden aankomen is de zon ook al bijna onder. Een ideale moment om nog wat dieren te gaan spotten. We hadden al enkele wallaby's in de verte zijn wegspringen. Als we naar een meertje vlak bij de kust rijden zitten ze langs de weg hun buik vol te eten. Ze zijn kleiner en vinniger dan kangoeroes en zitten meestal alleen of enkel met hun jong. Verderop wandelen we langs een overstroomde wildernis. Op een open stuk zitten enkele kangoeroes met hun achterste in het water te knabbelen van het gras. En we hebben geluk! Er zit ook een wombat met z'n korte kromme pootjes in het water. Een wombat lijkt een beetje op een kruising tussen een hond en een koala. Ze zijn zeer schuw en hebben een grappige manier van lopen. Als een van de kangoeroes plots opspringt heeft de wombat ons ook gezien. Hij zet het op een lopen tot aan een stuk van de weg dat overstroomt is, twijfelt even en waggelt dan zo snel hij kan weg tot we hem niet meer kunnen zien.

Wegvluchtende wombat, op weg naar de Grote Hindernis
Zo ziet hij er van dichtbij uit
Na al die dierenvreugd is het tijd om opnieuw naar de stad te trekken. We spreken af in Melbourne met David, nog een Australiër die we op de Milford Trek hebben ontmoet. We drinken samen een koffie en kuieren op zijn aanraden door het centrum van de stad. Zelf moet hij nog werken, maar 's avonds gaan we bij hem thuis op bezoek. Melbourne is best een leuke stad maar overrompelt je niet zoals Sydney doet. We willen graag de Royal Exposition Centre bezoeken, maar de enige toer van de dag is net vertrokken. We gaan dan maar een tochtje maken door Chinatown. Er zou ook een Griekse wijk zijn (na Athene en Thessaloniki is Melbourne de stad met het meeste Grieken van de wereld), maar buiten enkele restaurantjes en een winkel met Griekse specialiteiten is daar niet veel van te merken. Voor we naar David en Denise gaan willen we nog even afkoelen. Ik houd het bij pootje baden, maar Eline gaat volledig kopje onder in het ijskoude water van de baai. Ze was waarschijnlijk geïnspireerd door de vreemde training van een rugby team dat we net op het strand hadden gezien.

Een ietwat vreemde training...
Als presentje hebben we voor David en Denise 2 flesje trippel Karmeliet gekocht. Super dat we die hier hebben gevonden nauwelijks duurder dan het Australische bier en David houdt blijkbaar wel van een biertje. We worden uiterst gastvrij ontvangen. Eerst waren we van plan om maar een nachtje te blijven maar de luxe om in hun grote, zachte logeerbed te slapen en het heerlijke eten dat we geserveerd krijgen doet ons besluiten om toch nog een nacht langer te genieten. De volgende dag vergezellen we David op een werkbezoek. Hij is verantwoordelijk voor de tijdelijke dorpen die zijn opgetrokken na de bosbranden van mei 2009. Toen zijn er ten noorden van Melbourne zeker 4 dorpen volledig verwoest door hevige bosbranden. Meer dan 100 mensen kwamen om toen ze het vuur probeerden te blussen of hun huis probeerden te redden. Vrij kort na de ramp heeft de Australische regering voor de getroffen families nooddorpen gebouwd om iedereen op te vangen zo lang ze moeten wachten op de bouw van een nieuwe woonst. David bezoekt elke week minstens 1 van de dorpen om te kijken hoe alles loopt: Vandaag gaan we naar drie dorpen. Hij toont ons in elk dorp wat er verwoest werd, wat nieuw is opgebouwd en wat nooit zal heropgebouwd worden omdat die families voorgoed zijn weggetrokken. In de tijdelijke dorpen is er ook een manager ter plaatse. Het is telkens iemand uit het getroffen dorp zelf. Met Sue maken we een wandeling door haar dorp. Tegen kerstmis zou iedereen er weg moeten en het dorp volledig moeten zijn ontmanteld, maar er zal waarschijnlijk wel meer tijd nodig zijn. De brand heeft 34 levens gekost in dit dorp, allemaal mensen die de verkeerde keuze hebben gemaakt om hun huis tot het bittere einde te vrijwaren van de brand, zonder succes. Sinds de brand en het samenwonen in dit tijdelijke dorp is de gemeenschap wel hechter geworden. Mensen die vroeger nooit contact met elkaar hadden zijn nu beste vrienden geworden of toch zeker goede kennissen. Dit bezoek maakt een diepe indruk op ons.
Maarten en David in het afgebrande gebied
De volgende dag na een warm afscheid van David en Denise en de uitnodiging om ons over enkele jaren in België te komen bezoeken, zijn we weer als gewone toeristen op de baan. We rijden langs de kust op de Great Ocean Road, een weg die grotendeels de kust volgt langs een prachtige kustlijn. Het is een beetje als 2 jaar geleden langs de Big Sur in California. Toch rijden we vaker dichter bij de oceaan. Die beukt met enorme kracht in op de rotsen en spuwt af en toe enkele spatters tot op de weg. 

Great Ocean Road
In de late namiddag slingert de weg het regenwoud en het binnenland in. Het mooie weer is ondertussen weggevaagd door een lichte motregen. We gaan het regenwoud en dan vooral het hoge bladerdek van dichterbij bekijken op de Otway Fly Treetop Walk. Dit zijn een reeks stalen bruggen en torens die geleidelijk aan klimmen tot hoog in de boomtoppen, 45 m boven de grond. Je krijgt een heel unieke kijk op het bos. Het is een groene mozaïek van bomen, boomvarens, korstmossen en struiken. Het begint langzaam harder te regenen en al gauw zijn we de enige mensen in het grote bos. En we genieten van de stilte met volle teugen. Het enige dat je hoort is het vallen van de regen en af en toe een kreet van een vogel of het ratelend gekwaak van een kikker.

Tussen de grond en de boomtoppen in 

Een gevaarlijke boa...
De tweede dag langs de Great Ocean Road brengt ons vooral langs bruingele kalksteenkust. De zee heeft traag maar gestaag de kust aangevreten. Hierdoor zie je nu overal grote zuilen zoals de 12 Apostelen (het icoon van deze route, al zijn het er nog maar 8), diepe baaien zoals de Loch Ard Gorge genaamd naar het schip dat aan het eind van de 19e eeuw voor haar opening verging met slechts 2 overlevenden, grotten die naar blowholes leiden en bogen die de Arc de Triomph een dwergje doen lijken. Het is echt spectaculair wat de oceaan als beeldhouwer allemaal uit haar mouw schudt.

Loch Ard Gorge
Na al dat zilte geweld is het opnieuw tijd om onze wandelschoenen aan te trekken en een van de vele Nationale Parken te gaan ontdekken. In de Grampians vind je naast een prachtige natuur ook nog heel wat Aboriginal rotsschilderkunst. Er is een bezoekerscentrum waar je kunt zien welke voorwerpen de Aboriginals vroeger gebruikten hoe ze omgingen met hun omgeving, wat de invloed was van de komst van de Europeanen (die was desastreus) en hoe ze zich in de huidige maatschappij proberen in te passen zonder hun eigen cultuur te verwaarlozen. De schuilplaats met schilderingen van witte mannetjes waar we eerst naar toe trekken is niet echt indrukwekkend. De tand des tijds is ook niet zacht geweest, maar we hadden toch iets meer verwacht dan de zevental figuurtjes die er te zien zijn. We beklimmen ook een van de hoogste bergen van het park. Alle bergen zijn net half gezonken schepen van zachte granieten rotslagen. Enkel het steven steekt nog uit. De rotsen zijn zoals op veel plekken in Australië uitgesleten in de vreemdste vormen. Toch is het telkens net iets anders dan wat we al gezien hebben en telkens ook even spectaculair. Het zicht op de rest van het park lijkt op een rotsarchipel in een zee van bomen. Het is wel enorm druk op de top. De meeste toeristen parkeren vlakbij en staan dan op een halfuurtje boven. Wij hebben en langere en veel mooiere wandeling in de voeten wanneer we uiteindelijk boven staan.

Maarten denkt na over de wereld
De grillige rotsen van de Grampians
Lief klein spinnetje (WAAAAA)
Eindelijk is het Pasen. We rijden al meer dan een week rond met een chocolade konijn voor elk. 's Ochtends verstoppen we het op onze kampplaats. Die is niet zo groot dus al gauw zijn we allebei aan het smullen. Fondant kennen ze hier niet, dus de smaak is niet echt zo goed als thuis. 150 km verder naar het noorden komen we aan in Mildura. Deze stad ligt langs een van de langere rivieren van het land. Het is bovendien het fruitcentrum van het land en ook een van de betere wijnstreken, net niet zo bekend als de Barossa Valley die we later nog zullen bezoeken. Tot een kleine eeuw geleden was de belangrijkste manier van transport hier de peddelstoomboot op de rivier de Murray. Gelukkig voor ons is er zo nog een bewaard en kunnen we er een tochtje mee maken. We krijgen ook heel wat uitleg over het systeem van dammen en sluizen om het niveau van de rivier op peil te houden. Een vader legt trots maar een beetje verkeerd uit hoe de sluis zou moeten werken als we er door varen. Bij de tweede doorvaart staat hij er opnieuw en legt hij deze keer correct uit hoe het werkt. In een droog land als Australië (al hebben wij toch al heel wat regen gehad) is een rivier met sluizen blijkbaar een echte attractie. Mildura is inderdaad een vruchtbare oase in de droge vlakte. En nu richting de mythische Outback!

Genieten van het zonnetje op het dek van de historische stoomboot Melbourne
Echt antiek spul

New South Wales en Canberra

We keren terug naar de kust een goede 100 km ten zuiden van Sydney. De eerste plek waar we stoppen heet Kiama. De trekpleister is een blowhole. Dit is een opening in de rotsen vlak bij de kust. Telkens de zee een hoge golf in de grot onder het gat stuwt spuit er een grote waterstraal omhoog. Het is een spectaculair schouwspel en de zee krijgt zowaar af en toe applaus van de toekijkende toeristen als ze een straal extra hoog doet opspatten. Even verderop ligt in de rotsen uitgehouwen het plaatselijke openluchtzwembad. Bij heel hoog water spatten de golven schuimend over de rand. Veel veiliger hier te zwemmen dan in de oceaan want de stroming is veel te sterk en af en toe zakt er wel eens een haai zo zuidelijk af. Sydneyers hadden ons op de Franz Josef gletsjer in Nieuw Zeeland aangeraden ook naar Jervis Bay te gaan. Op de uiterste punt van de baai ligt een Nationaal Park. Het bord aan de ingang lijkt niet zo veelbelovend. We keren onze camper dus maar om en slaan op goed geluk af bij het eerstvolgende strand. Dat blijkt een goede beslissing. Het zand is parelwit de zee azuurblauw en kalm kabbelend. We maken onze tenen nat en voelen ons in het paradijs. Er is echter geen plek om te kamperen, dus willen we voor het donker nog even verder. Het volgende strand waar we een kijkje nemen heet Mollymook en is het favoriete strand van Stephen (onze gids in Sydney). Hier beukt de oceaan opnieuw met enorme golven in op het goudgele strand. Ideaal voor surfers die door de golven scheren. Even later komen er andere waterkunstenaars hun kunnen tonen. Een familie tuimelaars (dolfijnen) duikelen door het water.
Schuim en gebulder in de blowhole van Kiama
Zwemmen op de rand van de oceaan
De volgende ochtend starten we vroeg aan een wandeling in de omgeving van Pebbly Beach. Elke Australiër die we kennen raadde deze plek aan om kangoeroes te zien. Maar op het strand is er niet een te bekennen. Even later zien we hoe dat komt: aan een huisje langs het pad heeft iemand een bussel eten voor hen neergelegd. Zeker dertig kangoeroes van alle groottes zitten er op hun gemak te kauwen. We staan zeker een kwartier te kijken hoe grappig ze springen, met hun oren draaien bij een plots geluid, elkaar opzij duwen om een lekker hapje te bemachtigen. Later zullen we er nog veel zien, echt in het wild languit te rusten in de zon of eten aan het zoeken tussen de bush. De wandeling leidt ons door een mooi kustwoud. De eucalyptusbomen toornen als majestueuze zuilen hoog boven de grond en ondergroei uit. Die ondergroei bestaat uit varens, stekelig gras, palmboompjes en voor ons onbekende struikjes. Hier en daar zwelt een dieprode termietenheuvel als een meter hoge wrat op. De geur van het bos doet mij denken aan de sauna. Het is nog vroeg dus gelukkig helemaal niet zo warm als een sauna. We hebben zelfs een trui nodig om het niet koud te hebben. Het is hier immers al volop herfst.
Een feestmaal voor de grijze kangoeroes
We keren onze steven opnieuw richting binnenland. Naar de hoofdstad, Canberra. Het is een nieuw aangelegde stad in verschillende wijken van concentrische cirkels. Op plan best mooi, maar een hel om je weg met de wagen in te vinden. Bovendien is de bewegwijzering slecht. Om links af te slaan, wat hier waar ze links rijden eenvoudig zou moeten zijn, moet je soms rechts voorsorteren en dan langs een tunnel onderdoor. We komen toch op tijd aan het Nationaal Oorlogsmonument aan om nog net de sluitingsceremonie met last post mee te maken. Vooraf wordt het publiek opgewarmd door het helse gekrijs van de kaketoes die op de koepel zijn neergestreken. Het uitgebreide museum dat er bij hoort kunnen we pas de volgende dag bezoeken. We zijn trots dat er ook een deel over Ieper en de slag bij Passendaele gaat. We fronsen wel even onze wenkbrauwen als we een gids het foutief een deel van Frankrijk noemt waar ze het eerst toch over België had. Het museum is echt overweldigend, maar op den duur raken we gedeprimeerd van al dat oorlogsgeweld en die nutteloze gesneuvelden. Voor de Australiërs is vooral WO I  en de slag bij Gallipoli in Turkije belangrijk. Dat is de eerste keer dat ze zich als een natie gingen voelen, onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk. We nemen ook nog een kijkje in het futuristische parlement. 
Een papaver steken bij een gesneuveld familielid
Een diorama van Ieper tijdens WO I in het museum van Canberra
Vervolgens trekken we opnieuw de bergen in, naar de hoogste bergketen van het land: de Snowy Mountains. We willen graag de Mount Kosciuszko, de hoogste top van het land 2226 m hoog, beklimmen in het gelijknamige Nationaal Park. Het is het duurste nationaal park van het land. Voornamelijk omdat het zo populair is om te skiën. Heel wat toppen worden ontsiert door de ski-infrastructuur, maar voor de Australiërs is dit de enige plek in het land waar ze kunnen skiën. De wandelinfrastructuur is veel minder verzorgd. Op de belangrijkste vertrekpunten is nauwelijks parking of je moet eerst een dure skilift nemen. Er zijn geen bruggen over de rivieren. Enkel stenen waar je van de ene op de ander moet springen nadat je eerst tot aan je enkels door de modder hebt moeten waden tot aan de rand van de rivier. Bovendien ontbreken er hier een daar stenen. Ik geraak met mijn lange benen min of meer droog op de ander oever, zodat ik stenen kan halen om de oversteek voor Eline te vergemakkelijken. Enkele dagen eerder heeft het gesneeuwd in het park en de toppen liggen er nog wit bij. Geleidelijk aan klimmen we omhoog en neemt de sneeuw naast het pad toe. En nadien ook op het pad totdat je tot halverwege je knieën wegzakt. Het pad is ook niet aangeduid, je kan het enkel herkennen als een onafgebroken slang van sneeuw. Als we op een bergkam komen begint de wind op ons in te beuken zodat we scheef moeten lopen om niet omgeblazen te worden. Het dichte wolkendek maakt bovendien dat je nauwelijks iets ziet. Na een halfuur ploeteren besluiten we maar terug te keren. Op die manier wandelen is echt onverantwoord. Geen aanrader dus de Mount Kosciuzko, tenzij het mooi weer is of je wilt gaan skiën.
Het dicht gesneeuwde pad op weg naar Mount Kosciuszko
We zijn de Australische bergen en de koude daar beu, dus keren we maar terug naar de kust, naar het Ben Boyd National Park. De oceaan heeft langzaam de zachte zandsteenrotsen uitgesleten tot bolle vormen. De kleuren doen denken aan een herfstwandeling in het bos. Op de zandig baaien tussen de kliffen vinden we paua-schelpen. Met hun blinkend parelmoeren binnenzijde lijken het juwelen. We staan extra vroeg op om de zonsopgang te zien spelen op de kliffen, maar de wolken strooien mist in onze ogen. Dan maar een snel bezoekje aan Eden. Vroeger was dit een basis voor de walvisvaarders, nu is het een mondaine badplaats waar enkel nog een museum aan dat bloederige verleden herinnert. We zijn echter ruim wee uur voor openingstijd hier, bovendien zijn we eigenlijk niet zo geïnteresseerd in de walvisjacht dat we twee uur willen wachten. We laten New South Wales dus voor wat het is en rijden Victoria binnen. Maar wat we daar zien is voor de volgende keer!
De oceaan beukt in op de rotsen van Ben Boyd NP
De minimale zonsopgang in Ben Boyd NP